Interactievaardigheden – Ook in natuurwetenschappelijke lessen

6 oktober 2026
Artikel
Hbo, 
Onderwijs, techniek

Dit artikel komt uit NVOX 2026 – 7

Tijdens de opleiding en de examens van pedagogisch medewerker of onderwijsassistent op het mbo komen vrijwel altijd de interactievaardigheden aan de orde. Bij de lerarenopleidingen lijkt dat veel minder het geval.

Marianne: Ik weet het nog goed. Ik zat in de eerste klas en had wiskunde. Daar was ik geen ster in. Mijn toenmalige wiskundeleraar zei: “Als je iets niet begrijpt, moet je het zeggen.” Ik begreep iets niet – wat het was weet ik niet meer – dus ik zei: “Meneer, dit snap ik niet.” Waarop hij antwoordde: “Ja, dat is zo simpel, dat moet je snappen!” Daar kon ik het dus mee doen, meteen een gevoel van ontoereikendheid en onveiligheid. Ik heb er wel van geleerd: dat zal mij nooit overkomen als ik lesgeef.

Tijden veranderen, het is vanzelfsprekend dat het onderwijs nu aan andere eisen moet voldoen dan decennia geleden. De leerlingen van deze tijd vragen van de onderwijsgevende meer flexibiliteit in de begeleiding en doen meer beroep op de vaardigheden in de interactie.

In het verleden werd vooral klassikaal lesgegeven, met de docent als gezaghebbend leidinggevende, tegenwoordig is dat wel anders: als onderwijsgevende zul je eerst het vertrouwen van de leerlingen moeten hebben voor ze wat van je aannemen.

Leerlingen komen natuurlijk op school om te leren, maar het gaat daarbij niet alleen om de verschillende vakken, maar zeker – en misschien wel vooral – om zich te ontwikkelen tot een volwassene met een uitgebalanceerde persoonlijkheid. En onderwijsgevenden kunnen daar een bijzonder grote rol in spelen. Vaak wordt onderschat hoezeer degene die voor de klas staat een leerling kan maken of breken. We hebben het daarbij nu eens niet over het signaleren van pestgedrag, hoewel daar vanzelfsprekend altijd aandacht voor moet zijn, en dat altijd sterk moet worden afgekeurd. De onderwijsgevende heeft als eerste zorg de aanwezigheid van een veilig (leer)klimaat. Immers, in een onveilig klimaat wordt nauwelijks effectief gewerkt en dus geleerd.

Interactievaardigheden

“Interactievaardigheden zijn communicatieve en sociale vaardigheden die je inzet om contact te maken met anderen, relaties op te bouwen en samen te werken. Het doel is om effectief te reageren op de ander, de situatie in goede banen te leiden en wederzijds begrip te creëren.”

In de omgang met jongeren zijn het specifieke pedagogische competenties (sensitieve responsiviteit, respect voor autonomie, structureren, praten/uitleggen, ontwikkelingsstimulering, begeleiden van interacties) die worden gebruikt om de leerlingen effectief te sturen en hen emotionele veiligheid te bieden.

Hoewel de meeste literatuur over interactievaardigheden, zoals beschreven in het werk van Marianne Riksen-Walraven, hoogleraar ontwikkelingspsychologie, voornamelijk gericht is op de kinderopvang, is het toch interessant om te kijken hoe ze kunnen worden ingezet in het secundair onderwijs. Ze zijn essentieel voor een veilig pedagogisch klimaat en voor effectief leren.

Door de manier waarop je met de leerlingen omgaat, zorg je ervoor dat ze zoveel mogelijk uit hun omgeving kunnen benutten om zich te ontwikkelen. Door actieve, oprecht geïnteresseerde communicatie en wederkerigheid, worden leerlingen gestimuleerd in hun sociale en cognitieve ontwikkeling.

Bij goede interactie gebruik je ook je kennis over de ontwikkeling van de leerlingen. Je volgt de leerling, en sluit aan op diens leeftijd en ontwikkelingsfase. Je houdt rekening met het eigen ontwikkelingstraject en het ontwikkelingstempo van de leerling. Interactievaardigheden gaan dus vooral over de relatie die je met je leerlingen opbouwt.

De zes interactievaardigheden kunnen worden onderverdeeld in twee soorten: basale en educatieve. Basale interactievaardigheden zijn noodzakelijk voor leerlingen om zich prettig, veilig en gezien te voelen. Educatieve interactievaardigheden zijn belangrijk om leerlingen de kans te geven om zichzelf en elkaar te ontdekken en om nieuwe dingen te leren.

Is Riksen-Walraven vooral gericht op het jongere kind, Menno Hulswit en Jan Teggelaar richten zich in hun boek De docent als meester van de interactie op de leerlingen in het vo en ouder. Hierbij gaan ze uit van vier heel verschillende soorten interacties die in de praktijk vaak onbewust door elkaar worden gebruikt. Docenten die bewust kiezen zich op een van de vier manieren tot de leerling te verhouden, zijn doorgaans effectiever dan docenten die geen bewuste keuze maken.

Coachen: hierbij gaat het om de doelen én de oplossingen van de leerling. De eerste stap is dat de docent de leerling helpt zijn probleem om te vormen tot een wens. Als een leerling bijvoorbeeld zegt dat hij gepest wordt, vraagt de docent wat hij daarvoor in de plaats wil. De leerling zal dan iets antwoorden in de zin van: “Ik zou willen dat die en die leerlingen zich zo en zo ten opzichte van mij gedragen.” Vanaf nu kan gewerkt worden aan een wens, en dat genereert positieve energie in plaats van de negatieve energie die opgeroepen wordt door een probleem. De docent kan nu met de leerling onderzoeken, hoe deze zijn wens het best kan realiseren.

Adviseren: het gaat hierbij om de doelen van de leerling en de oplossingen van de docent. Docenten geven in het algemeen (te) vaak ongevraagde adviezen. Dat ontneemt eigenaarschap aan de leerling, die er dan vaak ook weinig of niets mee doet. Het beste is om leerlingen zelf hun oplossingen te laten bedenken. Ook dat genereert positieve energie. Als ze dat niet lukt, dan kan de docent voorzichtig bijvoorbeeld adviseren: “Zou het iets kunnen zijn om…?”

Instrueren: hierbij gaat het om de doelen én de oplossingen van de docent. Een voorbeeld is de wiskundedocent die precies uitlegt hoe de leerling een bepaalde som moet oplossen.

Grenzen stellen: het gaat hierbij om de doelen van de docent en de oplossing van de leerling. Het achterliggende idee is het creëren van een veilige en gestructureerde leeromgeving door duidelijke afspraken en normen te hanteren.

Het boek is gebouwd op drie pijlers, die worden uitgewerkt aan de hand van concrete voorbeelden uit de onderwijspraktijk:

  • een inleiding in de psychologie van motivatie;
  • een theorie over gedragsverandering, met speciale aandacht voor de rol van emoties en de invloed van de context;
  • een grondige uitwerking van de interactieposities: coachen, adviseren en grenzen stellen.

Bovenstaande uitgangspunten zijn gebaseerd op het idee dat de leraar een actieve, sturende rol heeft in het creëren van een veilige, stimulerende en effectieve leeromgeving. Deze benadering sluit goed aan bij de directe instructie en klassieke didactiek, waar de docent de interactie in de klas bewust regisseert.

Deze interactiesoorten zijn met weinig moeite te combineren met die van Riksen-Walraven.

Basale interactievaardigheden

Sensitieve responsiviteit of emotionele ondersteuning

Deze vaardigheid betekent dat je opmerkt wat je leerlingen bezighoudt. Je merkt signalen en behoeften van leerlingen op, begrijpt ze of probeert ze te begrijpen. En, belangrijk: je bent in staat om daar passend op te reageren. Zo geef je leerlingen het gevoel dat ze worden gezien, dat ze er toe doen.

Respect voor autonomie

Respect voor autonomie betekent dat je leerlingen de ruimte geeft om zelf oplossingen te vinden en eigen keuzes te maken. Om eigen ideeën in te brengen en dingen zelf te doen.

Structureren en grenzen stellen

Je biedt leerlingen houvast door te structureren en grenzen te stellen. Zo weten ze waar ze aan toe zijn. Structuur zorgt voor voorspelbaarheid en helpt bij het zelfvertrouwen. Grenzen, afspraken en regels zorgen ervoor dat leerlingen weten wat er van hen verwacht wordt. Met duidelijke grenzen leren leerlingen hun gedrag te reguleren. Zo leren ze omgaan met waarden en normen, en ontwikkelen ze hun geweten.

 

Figuur 1. De interactiematrix (bron: Hulswit & Teggelaar, 2021)

Educatieve interactievaardigheden

Praten, uitleggen en luisteren

Door veel met de leerlingen te praten, (denk-)vragen te stellen, uit te leggen en te luisteren, bied je ze de ruimte om hun wereld en hun gevoelsleven te begrijpen. Zo leren ze zich uit te drukken en duidelijk te maken wat ze zien, bedoelen, willen en voelen. En ze leren dat ook van anderen begrijpen. Bovendien kun je als onderwijsgevende in een gesprek – hoe kort ook – vaak waarde(n)volle informatie over de leerling opdoen.

Stimuleren van de ontwikkeling

Het handelen van de onderwijsgevende kan leerlingen helpen bij hun ontwikkeling. Bijvoorbeeld door hun nieuwsgierigheid te prikkelen. Of hen te stimuleren bij een activiteit die ze nog net niet zelf kunnen, en waarmee ze weer een stap in hun ontwikkeling kunnen maken.

Begeleiden en stimuleren van onderlinge interactievaardigheden

Als onderwijsgevende zorg je voor omstandigheden waarin leerlingen met elkaar kunnen samenwerken. Zo nodig begeleid je de leerlingen daarbij. Daarmee zorg je ervoor dat leerlingen zich veilig voelen bij elkaar en help je hen om positieve relaties op te bouwen.

Terug naar de wiskundeleraar. Veel leerlingen waren een beetje bang voor hem. Waarschijnlijk had het goed geholpen als hij had gevraagd: “Wat vind je zo moeilijk aan die som?” of “Hoe kan ik je helpen om de som beter te begrijpen?” Misschien had hij in de stof een stapje terug kunnen doen met de vraag: “Welke som begrijp je wel?” Er zijn mogelijkheden te over waarmee je de deur niet in het gezicht van het kind dichtslaat, maar dan moet je wel even nadenken. Hij had zich dus wat beter kunnen ontwikkelen op het gebied van de sensitieve responsiviteit. In deze tijd moet een onderwijsgevende beslist over de vaardigheden uit dit artikel beschikken.

* Met dank aan Menno Hulswit voor zijn waardevolle toevoegingen en zijn advies.

 

ZIE JE LEERLINGEN
Mijn dochter zat op het St Gregorius College in Utrecht. Ik weet nog dat we op een kennis-makingsgesprek kwamen.
De rector zei: “Zorg jij nou maar dat het thuis gezellig is, dan zorgen wij wel dat het met haar school goedkomt. Bij ons zijn de grenzen helder en duidelijk en binnen die grenzen hebben ze de vrijheid.”
Hij kende alle leerlingen bij naam en toenaam en wist ook hoe hun vorderingen waren. Als een leerling iets uitzonderlijk goeds deed, kreeg hij/zij een rolletje drop. Dat was voor hen ongeveer vergelijkbaar met een ridderorde.
Leermoment: zie je leerlingen, erken en herken ze, behoud te allen tijde je waardigheid en laat de leerling in zijn/haar waarde, en wees duidelijk over je grenzen. [M.O.]

BRONNEN

Hulswit, M. & Teggelaar, J. (2021). De docent als meester van de interactie. Motiveren, coachen, adviseren, grenzen stellen. Noordhoff.

Gesprek René Kneyber en Paul Kirschner: www.youtube.com/watch?v=BJjA58I3wCk

www.nji.nl/kennis/kinderopvang/interactievaardigheden-van-de-pedagogisch-professional

Was dit artikel nuttig?
Deel dit artikel
Strategische marketingplanning

Wil je Strategische marketingplanning inzien? Bestel het boek dan nu in onze webshop.

Ook interessant voor jou

Vul onderstaand formulier in en ontvang het artikel in je mailbox

Zoeken